Leve de Spaanse cinema!

¡Viva el cine Español!

 

Klazien de Vries

 

Film maakte nauwelijks deel uit van mijn opvoeding. De bioscoop was taboe. Het was dan ook heel bijzonder dat mijn vader een keer een filmprogramma organiseerde op een feestavond in onze kerk. Alle kinderen – en waarschijnlijk ook hun ouders – genoten van De Boefjes, Laurel en Hardy, ook al zullen er zeker kerkgangers geweest zijn die hun wenkbrauwen fronsten. Spanje bezocht ik pas toen ik de dertig al gepasseerd was. Met mijn twee jonge kinderen bracht ik twee weken door in Catalonië. Ik voelde me er direct thuis. Ik kocht er de gedichten van Garcia Lorca en nam me voor Spaans te gaan leren, waar overigens weinig van terecht kwam.

De eerste Spaanse speel films die ik zag, waren Carmen van Carlos Saura, A un dios desconocido (1977) van Jaime Chávarri en Bienvenido Mr. Marshall!  Toch wees nog niets erop dat ik me nog eens zo intensief met Spaanse film zou gaan bezighouden. Wel verdiepte ik me steeds meer in de geschiedenis van Spanje.

Op een gegeven moment kreeg ik het verzoek of ik een cursus Europese film wilde geven aan studenten film- en televisiewetenschappen, wat ik uiteraard weigerde – ik was immers geen filmwetenschapper (ook al wist ik door mijn werk als redacteur wel het nodige van filmkunde). Na enig aandringen, schreef ik een voorstel voor de cursus Geschiedenis van de Spaanse cinema. Uiteraard speelde daarin de geschiedenis van Spanje een belangrijke rol, en om dicht bij mijn eigen vak (taal) te blijven, koos ik als tweede invalshoek metafoor en film.

De studenten waren razend enthousiast. Ze vonden de stof moeilijk, moesten hard werken, maar dat hadden ze er graag voor over. Dit jaar gaf ik dit vak voor de zevende keer: tien weken lang mocht ik me weer wijden aan de Spaanse film. Inmiddels heb ik zo’n tachtig Spaanse films en een uitgebreide (Spaanse) filmbibliotheek.

 

Gevarieerd filmlandschap

Schrijven over Spaanse film is net zo onmogelijk als schrijven over Spanje. Niet voor niets koos Maarten Steenmeijer voor zijn cultuurwijzer voor het moderne Spanje de titel: Een continent in het klein. De Spaanse film is net zo divers als het Spaanse landschap en de Spanjaarden. In een artikel is het dus onmogelijk een compleet beeld te schetsen – hooguit kan ik een impressie geven en iets van mijn passie aan het papier toevertrouwen. Ik zal dat doen door de ervaringen met en van studenten te beschrijven. We gaan daarvoor per definitie terug in de tijd.

Het is muisstil in het lokaal. Twintig studenten gaan op in wat zich op het witte doek in zwart-wit afspeelt. Madrid en omgeving in de jaren vijftig: een verlaten weg, grijstinten, regen … op de weg ligt een fiets, daarnaast een fietser. Bij een zwarte auto staat een vrouw, ze roept de man die bij de gewonde knielt. Door de fietser aan zijn lot over te laten, kan ‘erger’ worden voorkomen, denken de vrouw en de man. Koste wat het kost moet hun relatie geheim blijven, er mag zelfs niet over worden gesproken. Als de dood van de fietser bekend wordt, neemt de angst voor ontmaskering toe, zeker als Rafa, de entertainer met zijn pokerface, suggereert dat hij er meer van weet.

Muerte de un ciclista van Juan Antonio Bardem verhult veel, maar door scènes met elkaar te contrasteren of juist te verbinden onthult de film tussen de beelden door wat niet letterlijk getoond of gezegd kan worden. Dit meesterwerk uit 1955 – het jaar waarin (in politiek opzicht) vriend en vijand zich in Salamanca eensgezind toonden in hun wens de Spaanse film op een hoger niveau te brengen – spreekt jong en oud(er) nog steeds aan.

Aan het begin van de cursus weten de studenten zo goed als niets over de geschiedenis van Spanje; slechts een enkeling kent de naam Franco. Wel hebben ze een aantal Spaanse films gezien, meestal alleen een of meer werken van Almodóvar en Amenábar; de naam Buñuel is uiteraard bekend, maar van hem kennen zij alleen de Franse films.

Na een aantal colleges en filmvertoningen begrijpen ze de satire op het Spanje en de Spaanse film van de jaren vijftig in ¡Bienvenido, Mr. Marshall! (1952) van Luis Berlanga en Juan Antonio Bardem. Het Castilliaanse dorpje Villar del Rio ondergaat een metamorfose – krijgt een Andalusisch uiterlijk -, om te beantwoorden aan het beeld dat Amerika heeft van Spanje. Maar hoe de inwoners zich ook uitdossen en uitsloven, de Amerikanen rijden met een sneltreinvaart door het dorp op weg naar belangrijker oorden. En de burgemeester had zo graag een spoorweg willen hebben van de Amerikanen, zodat het ‘dorp’ uit zijn isolement zou kunnen komen.

De metaforen liggen voor het oprapen in deze film. Hoewel het om ernstige zaken gaat, is de film buitengewoon geestig. Zo wordt de droom van de pastoor een nachtmerrie: in Amerika wordt hij veroordeeld voor zijn anti-Amerikaanse uitlatingen.

Fernando Trueba zou in 1998 ook een persiflage maken op de populaire españolada (typisch Spaans filmgenre met romantiek, dans en zang en vaak een Andalusisch tintje). La niña de tus ojos is eigenlijk een pastiche op deze films, omdat hij gemaakt is in dezelfde stijl. Penélope Cruz brengt de beroemde Imperio Argentina tot leven, de ster in Carmen, la de Triana die in 1938 in Berlijn werd opgenomen, omdat de steden waar de Spaanse filmindustrie zetelde toen nog republikeins waren. De combinatie van authentiek NO-DO materiaal, shots uit de film van 1938 en moderne speelfilm ondervraagt het waarheidsgehalte ( wat is feit en wat is fictie?). Tegelijkertijd is deze film een feest der herkenning voor veel Spanjaarden.

 

Geesten

Een film als een schilderijententoonstelling is Victor Erice’s El espíritu de la colmena (1973). Niet alleen tovert de film doeken tevoorschijn die geschilderd lijken door Johannes Vermeer en Pieter van den Hoogh, ook volgen de shots elkaar traag op, zonder duidelijke overgangen – of het moeten de geluidsbruggen zijn. Legt de uitgekiende montage in Muerte de un ciclista op een geraffineerde manier verbanden, in Espíritu moet de kijker zijn eigen gids zijn. Net als de kleine Ana, raakt deze verward: waar staat Frankenstein voor? Waarom praten de ouders, Fernando en Teresa, niet met elkaar? Wat of wie is el espíritu?

Beelden van de burgeroorlog: ze zijn er in vele schakeringen. Franco zelf schreef het scenario voor de film Raza (1942), een niet mis te verstaan recept voor vaderlandsliefde. Sterven voor Spanje is het hoogst haalbare. Leger, kerk en gezin zijn de pijlers van het nieuwe Spanje, zelfs de kenmerken van het Spaanse ‘ras’. In 1950 werd de film – gekuist van fascistische uitingen – opnieuw uitgebracht onder de titel Espíritu de una raza.

Films schrijven geschiedenis, en – zeker waar het Spanje betreft – verschillende geschiedenissen. De onbarmhartige reportage over een dagje jagen in haarscherpe zwart-witfotografie achtervolgt je nog lang na het zien van La Caza (1966). Carlos Saura bracht ook de Franco-periode in beeld, zoals in Cria Cuervos (1975), een film die ook in Nederland bekend is. Deze lijkt minder hard dan La Caza, maar dat de achtjarige Ana (Ana Torrent) de trekken vertoont van een seriemoordenaar, is niet echt geruststellend te noemen. Het oeuvre van deze regisseur is zo omvangrijk, dat er minstens een boek voor nodig is om het te beschrijven. Wat me opviel toen ik de Carmen (1983) onlangs opnieuw bekeek, is hoe mooi de mythische verhalen van Carmen en Don Juan hierin verweven zijn.

Saura bewonderde Luis Buñuel die veel betekende voor de cinema van zijn vaderland, ook al heeft hij er weinig films gemaakt. Op Saura’s verzoek maakte hij in 1962 Viridiana, over een jonge vrouw die voor ze haar kloostergelofte aflegt, haar oude oom bezoekt. De logeerpartij heeft grote gevolgen – de film trouwens ook. Op aandrang van het Vaticaan werd de film verboden. Had de censuurcommissie zitten slapen? Misschien wilde die soepeler zijn, omdat het een film van Buñuel betrof; zeker is dat toen de commissie de film keurde, er nog geen geluid onder gezet was, wat in dit geval heel veel uitmaakte. Het Halleluja van Händel bij de beelden van een bacchanaal …, dat ging wel heel ver.

 

De realiteit

Maar ik blijf te lang bij het verleden stilstaan, terwijl er nog zo veel te vertellen is over de film van de laatste tijd. Daarom sla ik de periode van de Transición over (jammer van die spannende Beltenebros van Pilar Miró!) en ook de jaren tachtig, toen veel Spanjaarden de films van eigen bodem maar somber vonden.

De discussie over een realistische cinema woedde al vanaf de jaren vijftig. Zo lang Franco de dienst uitmaakte, kon daar natuurlijk geen sprake van zijn. In het democratische Spanje was dat wel mogelijk. Films moesten volgens critici de realiteit laten zien, en dan bij voorkeur de maatschappelijke problemen. Zo zien we in de jaren negentig de opkomst van de ‘cine social’: films over geweld binnen het gezin, een groot probleem in Spanje. Te doy mis ojos (2003) van Icíar Bollaín is hier een mooi voorbeeld van. De film speelt zich af in Toledo – op zich al een reden om deze film te bekijken – waar een huwelijk strandt op het gewelddadige gedrag van de echtgenoot. Wat deze film onder andere bijzonder maakt is de strijd van de vrouw om haar eigen leven op te bouwen – we zien haar interessanter worden -, maar ook kijken we mee door de ogen van haar ex-man die echt naar zichzelf en vooral naar haar leert kijken.

Een film die mijn studenten bijzonder aanspreekt, is het debuut van Alejandro Amenábar, Tesis (1988). Filmstudente Angela (Ana Torent) werkt aan haar thesis over geweld in films. Als haar begeleider sterft terwijl hij een gewelddadige film bekijkt die zij heeft aangevraagd, ontspint zich een ware thriller, waarin Angela en een medestudent belangrijke rollen vervullen. Gelukkig zijn er humorvolle momenten (waarom vooral de jongens erg moeten lachen), die de spanning dragelijk maken.

Een citaat uit een paper van twee studenten over Mar adentro van dezelfde regisseur volstaat om de sfeer aan te geven van deze film:

 

De zee is in zekere zin de grootste vriend en vijand van Ramón. Zij ontnam hem aan de ene kant een waardig leven na een noodlottige duik van een klif en aan de andere kant had Ramón vredig in de zee kunnen sterven. De hele dag doorbrengend in zijn bed, vult Ramón zijn bestaan met radio, muziek, televisie, lezen en ontvangt hij bezoekjes van vrienden en familie. Ramón zoekt onder het juk van zijn invaliditeit toevlucht in verbeelding en fantasie. (…)

Uiteindelijk zijn het Rosa (die hem er in eerste instantie van wilde overtuigen dat het leven nog de moeite waard kon zijn) en zijn vrienden die Ramón een toegang tot de eeuwige rust verschaffen. De hand die Ramón abrupt boven water haalde, is getransformeerd in de deining van de zee die hem vreedzaam in slaap wiegt.

De dood komt nog steeds veel voor in Spaanse films, maar dat betekent niet per se dat ze somber zijn. Volver (2006) opent zelfs op het kerkhof en Tapas (2005) besluit met de zelfgekozen dood na een feestelijk en intiem laatste avondmaal. Esteban is echter pas zeventien jaar als zijn leven abrupt eindigt. Toch wordt zijn ambitie waargemaakt. Vanuit zijn gezichtspunt, terwijl hij zwaar gewond op straat ligt, zien we zijn moeder Manuela over wie hij een boek wilde schrijven: Todo sobre mi madre; haar kreet van ontzetting gaat door merg en been: “Hijo mio!”. Haar leven gaat verder. Aan het einde van de film studeert Humo (Marisa Paredes) haar rol in van de moeder in Bloedbruiloft van Garcia Lorca. Zij klaagt: “Er zijn mensen die denken dat kinderen krijgen een kwestie is van één dag. Maar het duurt veel langer. Daarom is het zo verschrikkelijk het bloed van een zoon de grond in te zien vloeien…” (bewerking LLuís Pasqual).

Speelt theater (A streetcar named desire) een hoofdrol in Todo sobre mi madre, Hable con ella dankt zijn zeggingskracht en schoonheid aan muziek, ballet en film. Van het klaaglijke ‘O let me weep’ (Purcell) dat verklankt wat de danseressen uitbeelden via ‘Cucurrucucú paloma’ (Caetano Veloso) tot het melancholische, maar tegelijkertijd hoopvolle Kaap-Verdische ‘Raquel’ (Bau) met tussendoor de eigen composities van Alberto Iglesias, omhult de muziek de gebeurtenissen als een warme kasjmier omslagdoek. De zwijgende film zegt meer dan het woord dat we bezigen voor de daad van Benigo, waarmee nog maar eens bewezen wordt dat de kunsten uitdrukkingsmogelijkheden verschaffen, daar waar woorden tekortschieten.
Alberto Iglesias tekende ook voor de muziek van Vacas (1992) en latere films van Julio Medem. Dat een koe ons zo indringend kan aankijken… wie zijn we? en:  wie we in de ogen van de ander? Deze vragen komen elke keer op een andere manier in de films van Medem terug.

 

 

Wat de Spaanse filmmakers verbeelden laat zich niet in woorden vangen, en dat is maar goed ook. Nederlandse bioscopen en filmhuizen zouden veel meer mogen laten zien van deze volwaardige Europese cinema!